↑ Return to CWO II

Zeiltermen

Wanneer je met meerdere mensen in een boot zit, is het belangrijk dat je met elkaar ‘dezelfde taal’ spreekt. Door de dinegn bij de goede naam te benoemen weet iedereen wat er bedoeld wort en kan iedereen goed handelen. De wind vormt het belangrijkste element bij het zeilen. Zonder wind komt de zeilboot niet vooruit. De richting van de wind is bepalend voor veel zaken met betrekking tot het zeilen. Veel termen worden daarom bepaald door de richting van de wind. Voor het CWO kielboten-II diploma moetje de volgende zeiltermen kennen en begrijpen:

Stuurboord en bakboord
Stuurboord is rechts en bakboord is links. Elke (zeil-) boot heeft een voor- en achterkant. De rechterkant (als je met je gezicht richting de voorkant zit) van een boot heet de stuurboordkant en de linkerkant van de boot heet de bakboordkant. De stuurboordkant en de bakboordkant blijven altijd hetzelfde en wisselen niet om wanneer je achterstevoren in een boot gaat zitten.

Hoger- en lagerwal
De Hogerwal is de oever / wal van het vaarwater waar de wind vandaan komt. De lagerwal is die kant van het vaarwater waar de wind naartoe waait.

Hoge- en lage zijde
De hoge zijde van een zeilboot is de kant van de zeilboot waar de wind vandaan komt. Aan die kant zie je ook de hogerwal. De lage zijde van een zeilboot is de kant waar de wind naartoe waait en aan welke kant de lagerwal zich ook bevindt.

Loef- en leizijde
De loefzijde van een boot is de hoge zijde van een boot en dus de kant waar de wind vandaan komt. De leizijde is de lage kant van de boot en dus de kant waar de wind naartoe gaat. Het grootzeil zit meestal aan de leizijde, c.q. de lage kant van de boot. Niet alleen (zeil-) boten hebben een loef- en een leizijde, maar op het water hebben alle voorwerpen (steigers, meerpalen, boeien, …) een loef- en een leizijde. Tijdens het varen kunnen de loef- en de leizijde regelmatig van kant wisselen.

Koersen
Een zeilboot kan verschillende richtingen op varen. Deze richtingen heten koersen. Al deze koersen hebben ten opzichte van de windrichting een andere naam, namelijk voor de wind, tegen de wind, halve wind, ruime wind, aan de wind en in de wind.

Koersen: in de wind
Wanneer de wind recht vanaf de voorkant van de boot komt, dan ligt de boot in de wind in. Deze koers kan een zeilboot niet bevaren, omdat deze dan achteruit wordt geblazen. Bij deze koers klapperen de zeilen.

Koersen: voor de wind
Wanneer de wind precies recht vanaf de achterkant van de boot komt, dan vaart de boot voor de wind. Het grootzeil staat dan helemaal uit en het fok kan aan de andere kant worden uitgezet (dit heet “fok ter loeverd”).

Koersen: halve wind
Wanneer de wind recht vanaf de zijkant van de boot komt (zowel aan stuurboord als aan bakboord), dan vaart de boot halve wind. De wind komt altijd vanaf de loefkant van de boot en gaat naar de leikant. De zeilen staan aan de leikant en staan half los.

Koersen: ruime wind
Wanneer de boot tussen halve wind en voor de wind vaart, dan heet de koers ruime wind. De zeilen staan dan vrij los.

Koersen: (scherp) aan de wind
Wanneer de boot tussen ruime wind en in de wind vaart, dan heet de koers aan de wind. De zeilen staan dan vrij strak. Echter, wanneer de boot steeds meer in de wind gaat varen, komt er een moment dat de zeilen niet strakker kunnen worden aangetrokken. Wanneer de boot verder tegen de wind in draait, komt de boot in de wind te liggen. De koers waarop de boot zo ver mogelijk aan de wind vaart, zonder in de wind te varen (en dus ook zonder dat de zeilen klapperen), heet ‘scherp aan de wind’.

Oploeven en afvallen
Wanneer een boot van een ruimere koers naar een scherpere koers draait (dus wannneer een boot verder tegen de wind in draait) dan loeft de boot op. Bij het oploeven gaat de boot richting de loefkant van de boot. Wanneer het tegenovergestelde gebeurd (dus wanneer de boot van een scherpere koers van de wind af draait naar een ruimere koers), dan valt de boot af.

Overstag gaan en gijpen
Wanneer je met de boot helemaal oploeft tot scherp aan de wind en daarna snel nog verder oploeft en met de punt van de boot door de wind draait, dan gaat de boot overstag. Het (groot-)zeil komt dan aan de andere kant van de boot te staan. Wanneer een boot afvalt naar voor de wind en daarna doordraait met de achterkant van de boot door de wind, dan maakt de boot een gijp. Het zeil komt hierbij met een grote slag aan de andere kant van de boot te staan.

Kruisrak
Het kruisrak is het gedeelte van het water wat ten opzichte van de boot in de wind ligt. Dit is het gebied tussen scherp aan de wind met de zeilen over stuurboord en scherp aan de wind met de zeilen over bakboord. Dingen die in het kruisrak zitten zijn niet zonder (minimaal 1 keer) overstag te gaan te bereiken.

Killen van de zeilen
Normaal gesproken moeten de zeilen mooi bol staan. Wanneer de boot tegen de wind in ligt, klapperen de zeilen. Het is echter ook mogelijk om de zeilen te leten killen. Wanneer de zeilen killen, bollen ze tegen (ze staan gedeeltelijk bol naar de verkeerde kant), zonder dat de zeilen hard klapperen.

Deinzen
Wanneer de boot lang genoeg met de punt in de wind ligt, gaat de boot vanzelf achteruit drijven. Dit heet deinzen.

Beleggen en opschieten
Het goed vastknopen van vallen, lijnen en andere touwen aan boord aan een kikker of klamp heet beleggen. Nadat de kikker of klamp is belegd, kun je het uiteinde van het touw netjes opschieten.