↑ Return to CWO II

Zeilen

Voor het CWO Kielboten II-diploma moet je de werking van roer en zeilen kennen. Wat gebeurt er als je het roer die ene kant op duwt, of als je de grootschoot laat vieren? En waar moet je zitten?

Waar moet je zitten?
De roerganger moet altijd aan de loef-kant van de boot, naast de helmstok zitten. Wanneer hij aan de hoge kant van de boot zit (tegenover het grootzeil), heeft hij een goed overzicht en kan hij goed in het grootzeil kijken.

Oploeven en afvallen
Wanneer een boot draait in de richting van waar de wind komt, dan loeft de boot op. Het naar-de-wind-toe-draaien heet oploeven. Wanneer de boot de andere kant op draait (van-de-wind-af-draaien), heet dat afvallen. Om af te vallen moet je de helmstok naar je toe trekken (als je tenminste aan de goede kant van het roer zit). Om op te loeven moet je de helmstok van je af duwen.

Stand van de zeilen
Tijdens het zeilen kan je verschillende kanten op varen. Elke mogelijke koers kent een eigen zeilstand. Bij een aan de windse koers moet de grootschoot helemaal aangetrokken zijn, terwijl het grootzeil bij voor de wind helemaal uit staat. De goede stand van de zeilen bepaal je door bij een bepaalde koers de schoten zo ver mogelijk te laten vieren, totdat ze net niet killen, c.q. klapperen. Elke keer wanneer je van koers verandert, of wanneer de wind iets draait moet je weer kijken of de schoten zo los mogelijk zijn, zonder dat ze killen. Alleen wanneer je scherp aan de wind wilt varen moet je proberen de fokkeschoot zo strak mogelijk aan te trekken.

Gebruik van de zeilen
Het roer is niet het enige ‘stuur’ aan boord. Ook de zeilen kun je bij het sturen gebruiken. Wanneer je de fokkeschoot aantrekt en de grootschoot laat vieren valt de boot af. Als je daarentegen de grootschoot rustig aantrekt en de het fok laat vieren, dan loeft de boot vanzelf op. Wanneer je met de zeilen stuurt en het waait niet al te hard, dan moet je er op letten dat je je roer los laat. Houd je het roer strak vast, dan hef je de stuurwerking van de zeilen met je roer weer op en gebeurt er niks.

Werking van de zeilen
Om het bovenstaande gebruik van de zeilen te kunnen begrijpen, komt een iets technischer verhaal om de hoek kijken. De zeilboot heeft een draaipunt waar de gehele boot omheen draait. Wanneer de punt naar stuurborod gaat, beweegt de achterkant een stukje naar bakboord. Het draaipunt van de boot ligt ter hoogte van de mast.

Het fok bevindt zich voor het draaipunt en het grootzeil achter het draaipunt. op het moment dat je bij halve wind de wind druk in het fok weghaalt (fok los) en de winddruk in het grootzeil vergroot (grootzeil strakker aan), dan wordt de achterkant van de boot van de wind afgeduwd, terwijl de voorkant juist naar de wind toe draait. De boot loeft op. Wanneer je het net andersom doet en het fok strakker aantrekt en de het grootzeil laat vieren, dan valt de boot af.

Theorie of praktijk?
In theorie klinkt het sturen op de zeilen heel mooi. Maar werkt het ook in de praktijk? Alleen sturen op de zeilen kan wel, maar heeft bij een lelievlet een erg slingerende koers tot gevolg. Maar het is wel de bedoeling dat je stuurt door middel van een combinatie met het roer en de zeilen. Wanneer je tijdens het varen wilt afvallen laat je eerst je grootzeil een stukje vieren, en stuur je daarna pas met het roer bij. Wil je oploeven, dan trek je eerst het zeil aan en corrigeer je met de helmstok.