↑ Return to CWO II

Manoeuvres

Wanneer je de zeilen kan bedienen en je weet wat de boot doet wanneer je de helmstok naar links of naar recht doet, dan ken je de beginselen van het zeilen. Maar om echt te kunnen zeilen is het belangrijk dat je naast die basisvaardigheden ook enkele manoeuvres kent. Een manoeuvre is niet meer dan een serrie van acties, die je in een standaard situatie uitvoert. Hieronder staan de manoeuvres die je voor je CWO Kielboten II-diploma goed moet kunnen uitvoeren. Deze manoeuvres kun je niet van het papier leren, maar moet je veelvuldig oefenen (met je staf). Maar Onderstaande beschrijvingen kunnen je wel helpen bij het oefenen van de manoeuvres.

Overstag gaan
Wanneer je met de voorkant van de boot door de wind draait, dan ga je overstag. Dit gaat alsvolgt:
1: Je gaat eerst scherp aan de wind varen met je grootschoot strak aangetrokken.
2: Je zegt duidelijk: “klaar voor de wending!”
3: Enkele seconden later zeg je: “Ree!” en duwt de helmstok van je af. Tegelijkertijd trek je de grootschoot nog verder aan en laat de fokkenist de fokkeschoot los.
4: Wanneer de boot recht tegen de wind in ligt, roep je: “Bak!” Je herkent dit doordat de giek precies in het midden van de boot staat. De fokkenist trekt de fokkeschoot weer aan.
5: Je laat je helmstok los en gaat aan de andere kant van de helmstok zitten. Tegelijkertijd trek je de grootschoot helemaal aan.
6: Op het moment dat het grootzeil weer goed wind vangt, pak je de helmstok weer goed vast en zeg je: “Fok over!” De fokkenist laat nu de fokkeschoot helemaal los.
7: Wanneer de boot stopt met draaien, zeg je: “Fok aan!”. De fokkenist trekt nu de fokkeschoot aan de andere boord aan. Je bent nu overstag.

Opkruisen in nauw vaarwater
Wanneer je naar de andere kant van een meer wilt varen, maar je hebt tegenwind, dan moet je opkruisen. Wanneer het vaarwater niet al te breed is, moet je dit nauwkeurig doen, anders verleier je. Bij het overstag gaan moet je er op letten dat je niet te laat: “Fok over!” zegt, en niet te vroeg: “Fok aan!”.

Gijpen
Wanneer de achterkant van de boot door de wind draait, heet dat gijpen. Om het gijpen goed te kunnen oefenen, ga je recht voor de wind varen.
1: Wanneer je recht voor de wind vaart, ga je eerst aan de andere kant van de helmstok op het achterdek zitten. Zorg dat je de helmstok met de zijkant van je lichaam op z’n plaats kunt houden.
2: Je zegt: “Fok te loeverd!”, waarna de fokkenist het fok aan de andere boord zet. Dit kan alleen als de boot goed voor de wind vaart.
3: Je zegt duidelijk: “Pas op voor de gijp!” en wzcht een paar seconden.
4: Daarna trek je de grootschoot snel, maar beheersd in.
5: Op het moment dat het grootzeil aan de andere kant wind vangt, zeg je: “Gijp!” en laat je de grootschoor helemaal uitvieren. Let er hierbij op dat je de grootschoot niet even klemt, want dan heb je een klapgijp en is de gijp niet goed.
6: Nadat het zeil helemaal aan de andere kant staat, kun je het zeil weer een stukje aantrekken.

Gijpen vermijden
Bij harde wind is het niet altijd fijn om te gijpen. Daarom is het misschien nog wel belangrijker om gijpen te kunnen vermijden. Wanneer je voor de wind vaart en je wilt koers houden, zonder te gijpen, maar je ziet dat het zeil wel vanzelf wilt ‘gijpen’, dan moet je snel oploeven. Op die manier voorkom je een gijp.

Het kan ook voorkomen dat je voor de wind vaart en eigenlijk een stukje wilt afvallen. Dit kan echter niet zonder te gijpen. Wanneer je toch liever niet wilt gijpen, dan kun je een ‘stormrondje’ maken. Dit doe je door in plaats van af te vallen, helemaal op te loeven tot scherp aan de wind, overstag te gaan en dan weer helemaal ag te vallen, net zo ver totdat je de gewenste koers vaart.

Afvaren van hoger wal
Bij het afvaren van hoger wal hijs je eerst je grootzeil en daarna je fok. Wanneer alles en iedereen aan boord klaar is, laat je (nadat je gekeken hebt dat er geen andere boten aankomen) iemand de boot afduwen. Zeg hem / haar welke kant de punt op moet. Doe dit die kant op waar de boot met de wal de grootste hoek maakt. Laat het fok bak trekken, net zolang totdat het grootzeil wind vangt. “Fok over en fok aan,” en je kan zeilen.

Aankomen aan hoger wal
Aankomen aan hoger wal doen we met een sliblanding.
1: Bekijk eerst de plaats waar je wilt aanleggen.
2: Vaar op een (scherp) aan de windse koers op het punt af.
3: Laat iemand op het voordek zitten om straks met een landvaste op de kant te stappen. Dit is de ‘haak-voor’. 4: Laat tientallen meters voor de wal de fokkeschoot los (zeg: “Fok los!”).
5: Laat daarna ook de grootschoot vieren, maar behoudt koers. De boot remt nu vanzelf af.
6: Wanneer de boot te langzaam vaart om de kant te kunnen bereiken, kun je even de grootschoot aantrekken. Wanneer de boot te hard gaat, kun je door het fok bak te laten trekken weg draaien. Probeer hierna nog een keer de sliblanding vanaf stap 2.
7: Pas altijd op dat de haak-voor zijn vingers, benen of andere lichaamsdelen tussen de boot en de wal houdt om af te remmen!

Man-overboord-manoeuvre
Wanneer iemand overboord slaat is het zaak om snel te reageren:
1: Roep: “Man overboord!!” en laat iemand constant naar de drenkeling wijzen
2: Roep eenmaal: “Zwem!” naar de drenkeling. In de schrik kan deze vergeten dat hij moet zwemmen. Laat meteen je grootzeil helemaal vieren en ga voor de wind varen.
3: Vaar vijf bootlengtes door en loef daarna op tot scherp aan de wind. Doe dit oploeven door je roer van je af te duwen en tegelijkertijd de grootschoot helemaal aan te trekken.
4: Wannneer de drenkeling 2 streken achterlijker dan dwars is, ga je overstag.
5: Maak nu een sliblanding op de plaats van de drenkeling. Zorg dat je precies aan de lei kant van de drenkeling stil komt te liggen.
6: Hijs de drenkeling achter de stag aan de loefkant aan boord.
7: Ga halve wind varen en kijk of drenkeling in orde is.

Hijsen en strijken van de zeilen
Voor het Hijsen en strijken van de zeilen moet je altijd eerst recht tegen de wind gaan liggen.

Hijsen
1: Maak eerst alle vallen en schoten op de goede manier vast.
2: Hijs het grootzeil en rijg wanneer dat nog niet gedaan is.
3: Beleg de bovenste kikker / klamp aan stuurboord met de klauweval. Zet deze goed strak.
4: Beleg de onderste kikker / klamp aan stuurboord met de piekeval, zo dat er een lichte plooi van de halshoek naar de tophoek van het grootzeil loopt.
5: Schiet de vallen op en haal de mik weg.
6: Wanneer het grootzeil netjes staat, hijs je de fok.
7: Beleg de bovenste kikker aan bakboord met de fokkeval.
8: Na het opschieten van de fokkeval, kun je wegvaren.

Strijken
1: Leg aan (met een sliblanding) aan hoger wal.
2: Laat het fok zakken en zet de val weer vast.
3: Plaats de mik.
4: Laat het grootzeil rustig zakken door de piekeval en de klauweval tegelijkertijd rustig te laten vieren.
5: Schiet de vallen netjes op en doek de zeilen op.